In de afgelopen weken, in uiteenlopende gesprekken, kwam steeds opnieuw hetzelfde woord voorbij.
Soms uitgesproken met aarzeling, soms alsof het pas ter plekke vorm kreeg. Een woord dat precies benoemt wat velen voelen, maar moeilijk onder woorden krijgen: liminaliteit.
De ruimte tussen wat niet meer klopt en wat nog geen vorm heeft. De drempel waarop je staat zonder te weten of je al over wilt steken.
Wat ik minder vaak hardop uitspreek, is hoezeer ik mezelf in die ruimte herken.
Niet alleen in wat ik hoor bij anderen, maar in mijn eigen leven. In mijn werk. In mijn keuzes. In mijn twijfel.
De afgelopen tijd ben ik steeds vaker gaan voelen dat mijn huidige baan me minder voedt dan voorheen. Niet abrupt. Niet dramatisch.
Eerder als een langzaam verschuivende onderstroom.
Wat jarenlang zinvol en veilig voelde, begint vragen op te roepen waar ik niet meteen een antwoord op heb.
En ik merk hoe spannend ik dat vind om toe te laten, laat staan te delen.
Tegelijk is daar mijn praktijk; Op Adem Komen.
Iets wat begon vanuit een diep persoonlijke behoefte om te vertragen, te ademen en de natuur weer toe te laten in mijn leven.
En wat is uitgegroeid tot een plek waar ik anderen mag begeleiden in precies diezelfde beweging.
Maar ook daar is twijfel. Twijfel of ik genoeg doe.
Of ik te langzaam ga, of juist te veel inhoud.
Twijfel over hoe zichtbaar ik wil zijn, hoe groot dit mag worden, en of ik het allemaal wel “goed” aanpak.
Soms verlang ik naar helderheid.
Naar een duidelijk plan, een stip op de horizon.
En tegelijkertijd weet ik dat ik dat plan niet meer wil forceren.
Dat het oude idee van weten waar je heen gaat, voor mij niet meer past.
Wat dat vraagt, is blijven in het niet-weten.
Niet als iets om te overwinnen, maar als iets om te bewonen. Met alles wat dat oproept: onrust, zachtheid, vertrouwen en soms ook angst.
Liminaliteit leert me dat dit geen zwakte is.
Dat dit geen teken is dat ik faal of achterloop.
Maar dat ik precies sta waar ik moet zijn: op de drempel, met één voet in het bekende en één voet in het nog-onbenoembare.
Voor 2026 voelt dat als mijn richting.
Of misschien beter gezegd: mijn bereidheid.
Om het pad te volgen zoals het zich toont.
Om te blijven ademen wanneer het spannend wordt. Om niet te doen alsof ik het al weet.
In Op Adem Komen ontmoet ik steeds vaker mensen die dit herkennen.
Lotgenoten die niet zoeken naar antwoorden, maar naar ruimte. Naar een plek waar twijfel welkom is, waar stilte niet ongemakkelijk hoeft te zijn, en waar het lichaam weer mee mag spreken.
Wat ik daar bied, is geen oplossing.
Het is bedding. Aanwezigheid.
Samen op adem komen in een tijd die veel van ons vraagt.
Misschien is dat wel wat deze periode van ons verlangt. Niet zekerheid. Maar moed opbrengen om te blijven, juist wanneer we het even niet weten.
En misschien is dat, voor nu, genoeg.
Wat het voor mij extra gelaagd maakt, is dat ik dit alles niet alleen voor mezelf leef, maar ook voor mijn gezin. Als vader voel ik steeds scherper dat ik mijn kinderen niets wil voorleven wat niet oprecht/congruent is.
Geen gehaast antwoord op vragen die tijd nodig hebben. Geen zekerheid die van buiten komt, maar stevigheid van binnen.
Juist daarom probeer ik het niet-weten niet langer te zien als iets wat opgelost moet worden, maar als iets wat ik mag dragen. Hardop. Zichtbaar. Met alles wat daarbij komt kijken.
In de hoop dat mijn dochters later niet denken dat het leven draait om alles zeker weten, maar om aanwezig blijven terwijl het zich ontvouwt.
Misschien is dat wel de grootste oefening van deze tijd. Niet vooruitlopen. Niet dichtplakken.
Maar blijven ademen op de plek waar je nu bent.
En vandaag is dat voor mij hier.
Op de drempel van 2025 naar 2026. 🌿

Sjun jesjreeve. Ich ken dur floep en dur stress dat ut murreje misschien nit mie is, of jans angesj. Jot um te wisse dat doa ee woord vuur is en dur miej luuj zunt. Wer jet jeliert dit joar.
Jowwe roetsj en bis i 2026
Dank vuur dien reaksie Maurice. De bis evver noeëts tse oad um tse lieëre. Wentste dat jot vings junt v’r binnekort ‘s wandele. En kaffe drinke! ‘T jeat dich jot auwe!